Hij werd gebracht door enkele familieleden die hem, ten gevolge van de armoede niet goed konden opvangen en dachten dat het weeshuis een goede oplossing was. De familieleden wilden het zo proberen maar mocht het niet gaan dan zouden zij hem weer terugnemen. In het begin at hij kleine beetjes, was teruggetrokken en stil. Zijn ogen stonden dof en huilerig, hij zag er moe uit.
Met dagelijkse voedzame maaltijden, voldoende rust en medische controle begon Ardi langzaam op te knappen. Hij maakte snel contact met de andere kinderen en werd al snel omringt door vriendjes.
Binnen enkele weken kwam hij aan, zijn huid kreeg glans, had minder buikpijnklachten, was rustiger nam deel aan spelletjes en speelde in de groep en lachte veel als hij met zijn vriendjes speelde.
Na ongeveer een maand rende hij lachend voor het eerst lachend naar zijn begeleidster toe.
Zijn begeleidster zei:
“Hij heeft zijn plek en thuis gevonden en is weer blij”.